HomeOnderwerpenKoralen algemeenHet Caribisch gebied en zijn bijzondere onderwaterwereld, deel I

Het Caribisch gebied en zijn bijzondere onderwaterwereld, deel I

Tubastrea sp. Aardbeikoraal heeft geen licht nodig. (Foto: Rifwachter, 2009)Wanneer je de zeeaquariumhobby bedrijft is het leuk en leerzaam om meer te weten te komen over de natuurlijke leefomgeving van de dieren die je houdt. Niet alleen omdat de beestjes je interesseren, maar ook omdat het kan helpen er voor te zorgen dat je kunstmatige systeempje (want dat is je bak tenslotte) op zoveel mogelijk onderdelen lijkt op de natuurlijke situatie. Dat helpt tenslotte om je dieren gezond te houden. Yvonne las het boek over de koralen en riffen van de Cariben, van Carl Roessler en schrijft erover…

Deel 1: Koralen, riffen, eilanden enatollen

De koralen vormen in hun vele gedaanten een eindeloze bron van verbazing en verrukking. Bovendien vervullen ze in de onderwaterwildernis een onmisbare functie, die nadere beschouwing verdient.

De basiseenheid is het koraaldiertje, de poliep, waarvan we nog steeds het fijne niet weten. Op een hoger niveau staan de formaties waarin de poliep tijdens de vorming van een kolonie opgroeit en de verspreiding van de kolonies. Een verzameling koraalkolonies vormt op haar beurt weer een formatie: een rif, eiland of atol. Bij het koraalonderzoek moet er niet alleen naar de huidige rol van de koralen als integraal onderdeel van de ingewikkelde modern rifgemeenschap kijken, maar ook naar de invloed die hun voorouders lang geleden op de zeeën hadden.

De indruk, dat de koraal-"tuinen" in ondiepe tropische zeeën uit planten bestaan is ons allen welbekend. Dat dit niet juist is werd in 1753 door J.A. de Peysonell al beschreven in een onderzoek waaruit bleek dat de koraalmassa door groepen minuscule tentakeldragende diertjes wordt opgebouwd. Het buisvormige lichaam van deze koraalpoliepjes draagt aan beide uiteinden een schrijf. Rondom de mondopening in de bovenste schrijf staat een krans van tentakels die voedseldeeltjes uit het water opvangt en via de mond aan het spijsverteringskanaal doorgeeft.

De tentakels zijn voorzien van netelkapsels (nematocysten) die bij aanraking in werking treden. Deze vangmethode komt bij duizenden tentakeldragende zeeorganismen voor. Als koraalpoliepen verder niets te bieden hadden vormden ze niet meer dan een van de vele groepen rifbewoners die met ontelbare concurrenten om de milde voedselstroom vechten. Maar een koraalpoliep heeft wel degelijk unieke kanten. Met zijn huid kan hij opgeloste calciumionen aan het zeewater onttrekken. Hiermee kan hij net als een oester een kalkpantser opbouwen. Aangezien poliepen een buisvormig lichaam hebben en ze de kalk aan hun voetschrijf en onderlichaam afscheiden, krijg het kalkskeletje de vorm van een kelk of buis waarin de poliep zich bij gevaar terug kan trekken.

cariben4De snelheid waarmee het calciumcarbonaat wordt afgezet varieert van soort tot soort en is ook sterk afhankelijk van het zonlicht. Per vierkante meter poliepoppervlakte kan een stuk koraal dagelijks zo’n 10 gram kalk produceren. Voor dit proces is zoveel energie nodig dat een koraalpoliep aan het zuurstofverbruik gemeten twee maal zoveel energie per gram lichaamsgewicht verbruikt als een mens. Het ligt voor de hand dat deze hoge stofwisselingsenergie bij het omzetten van calcium wordt verbruik. Vroeger nam men aan, dat die energie door het planktonisch voedsel van de poliepen werd geleverd. Deze veronderstelling werd gesteund door het feit dat koraalpoliepen ‘s nachts, wanneer het plankton het talrijkste is, te voorschijn komen.

Koraal leeft niet alleen in de omgeving waar plankton voorkomt. Bepaalde koralen groeien zelfs bij totale afwezigheid van plankton rustig door. Tegenwoordig weten we dat dit te danken is aan de zoöxanthellen, eencellige wiertjes die als symbionten ingebed in het weefsel van deze koraalsoorten leven.

Doordat deze wiertjes langs fotosynthetische weg zuurstof en koolhydraten maken, krijgt de poliep voldoende zuurstof voor het kalkafscheidingsproces. Bovendien breekt het wier het koolzuur en de stikstofhoudende afvalstoffen van de poliep af.

Als je ze in een verduisterd aquarium zet, staakt de groei van koraalsoorten die met wieren samenleven. Soorten waarbij de stofwisseling op gevangen plankton lijkt te draaien, blijven daarentegen in het donker doorgroeien, zij het niet zo snel als in het licht.

Waarom gebruiken koralen zowel planktonvangmechanismen als symbiotische wieren? Waarom gedijen rifkoralen zo goed in het turbulente, plankton- en voedselrijke water aan de buitenzijde van het rif en doen ze het aan de kant van de lagune (binnenkant) zo slecht? De antwoorden hebben te maken met beide voedingsmethoden. Ze vullen enerzijds elkaar aan en dienen bij andere soorten als dubbele zekerheid voor het voorbestaan.

Dat poliepkolonies met zijn allen zulke grote koraallichamen kunnen opbouwen, is een natuurlijk gevolg van hun manier van voortplanten. Koralen vermeerderen zich zowel geslachtelijk als ongeslachtelijk, dat wil zeggen zowel door versmelting van zaad- en eicellen als door knopvorming. Beide methoden spelen bij de ontwikkeling en verspreiding van koraallichamen een belangrijke rol.

Wanneer het daar tijd voor is, ontwikkelen de ei- en zaadcellen zich in het gezwollen weefsel van bepaalde inwendige huidplooien, de mesenteriën. Na rijping komen de zaadcellen vrij en zweven ze door het water tot ze een eindje verderop door een andere poliep met de mond worden opgezogen. Binnen de tweede poliep worden de eicellen door de zaadcellen bevrucht. Uit de bevruchte eitjes komen al gauw kleine, platte larfjes die zich met snelle slagen van de microscopische haartjes op hun lichaam min of meer zelfstandig kunnen bewegen. In de tijd dat deze planula-larven rondzweven in het water, kunnen ze door de oceaanstroming over enorme afstanden worden vervoerd. Het pelagische stadium zorgt zodoende voor de verdere verspreiding van het koraal en het herstel van beschadigde riffen. Op een gegeven moment komt een deel van de zwevende larven namelijk in aanraking met een voldoende harde ondergrond om zich er met kleefstof op vast te zetten. Na zo’n landing worden de larven buisvormig, groeien de tentakels rondom de mond uit en begint de afscheiding van het kalkpantserhuisje.

Terwijl de geslachtelijke voortplanting voor de verspreiding zorgt, berust de verdere ontwikkeling van een koraalkolonie op ongeslachtelijke voortplanting. Hierbij ontwikkelt de eerste poliep een zwellende knop of dochterpoliep die al gauw een eigen huisje afscheidt. Zo gaat het verder tot er op den duur een hele massa oftewel een kolonie poliepen is ontstaan.

Doordat elke soort zijn eigen manier van knopvorming heeft, kan de vorm van de kolonie uiteenlopen van geribbelde koepels zoals bij het kersenkoraal (Lobophyllia) tot de fijn vertakte "boompjes" van het hertshoornkoraal (Acropora cervicornis).

Er zijn ook koralen, zoals de hoornkoralen die hun lichaam op een andere manier opbouwen.

Koralen komen in grote delen van de wereldoceanen voor en zijn beslist niet tot de tropen of tot ondiep water beperkt. Maar de echte rifkoralen zijn inderdaad beperkt tot gebieden met helder water, een diepte van minder dan vijftig meter en nauw omschreven, stabiele temperatuur. Rifvormende koralen hebben immers veel zonlicht nodig voor de fotosynthese van de zoöxanthellen waarmee ze samenleven. En aangezien de hoeveelheid zonlicht die in het water doordringt ook in helder, tropisch water op een diepte van vijftig meter drastisch is afgenomen, is ook de activiteit van de wiertjes – en daarmee de groei van het koraal – onder deze grens sterk gekrompen.

Hoewel de rifbouwende koralen in het algemeen tussen de noorder- en zuiderkeerkring aangetroffen worden, komen ze niet langs alle kusten binnen deze gordel voor. Dit is te wijten aan een andere krachtige invloed: de eeuwige gang van de grote oceaanstromingen. In verband met de draaiing van de aarde stroomt het water aan de evenaar, waar het door de tropenzon wordt opgewarmd, meestal naar het westen. Waar ze op landmassa’s stuiten, buigen de stromingen boven de evenaar naar het noorden en die eronder naar het zuiden af. Door dit effect van de corioliskracht, de afdrijvende kracht van de aardedraaiing, baden vooral de oostkusten van de continenten met de bijbehorende ondiepten in warm water. Hier is dan ook een groot deel van de belangrijkste koraalrifconcentraties te vinden.

ZeestromingenAls we de oceaanstromingen verder vervolgen, zien we de hoofdstromen bij de polen afkoelen en naar het oosten afbuigen. Op de plek waar ze vervolgens weer op de landmassa’s stuiten, buigen ze boven de evenaar naar het zuiden, en eronder naar het noorden af. Hierdoor hebben de westelijke continentenale hellingen bijzonder koud poolwater te verduren. Waar de naar de evenaar gerichte stromingen de continenten bereiken, buigen ze niet alleen af maar brengen ze, althans plaatselijk, ook grote hoeveelheden water uit de diepte omhoog. Door de hoge concentratie aan voedingsstoffen (verteerde weefsels van dode, gezonken planten en dieren) neemt ook de planktonconcentratie in het ondiepe water langs de continenten enorm toe. Aan dergelijke planktonrijkdommen danken de kusten van landen als Chilli en Peru hun reusachtige visscholen. Voor koralen zijn deze wateren echter veel te koud. Bijgevolg is de groei van rifkoralen door de oceaankrachten beperkt tot de warmwatergebieden langs de oostkusten van de continenten en rondom de eilanden in de open tropische zeeën.

De oceaanstromingen staan onder invloed van de zonnewarmte, de winden en de corioliskracht. Door laatstgenoemde factor, een gevolg van de draaiing van de aarde, worden de oceaanstromingen op het zuidelijk haflrond naar links en op het noordelijk halfrond naar rechts afgebogen.De groeisnelheid van het koraal loop van soort tot soort uiteen. Terwijl zeer dichte kolonies als die van Porites jaarlijks 100 tot 200% in gewicht toenemen, kan een fijn vertakt bosje Acropora wel 400% halen. De koralen met de beste stofwisseling, die dus het meeste kalk afzetten, leggen steeds meer beslag op de actieve groeizone van het rif. Meestal betreft het koralen die zich kort te voren verder hebben ontwikkeld en zich het meest hebben gespecialiseerd. Deze specialisatie brengt echter gevaren met zich mee, want als de ecologische omstandigheden veranderen, hebben juist de oude koralen met langzame stofwisseling de beste overlevingskansen. De nieuwe koralen, die zich het best aan de heersende toestand hebben aangepast, gaan er bij verandering van omstandigheden vaak het eerste aan.

De oceaanstromingen staan onder invloed van de zonnewarmte, de winden en de corioliskracht. Door laatstgenoemde factor, een gevolg van de draaiing van de aarde, worden de oceaanstromingen op het zuidelijk haflrond naar links en op het noordelijk halfrond naar rechts afgebogen.

Tot zover dit stuk over de riffen van de Cariben. In deel II ga ik verder met de riftypen en een stukje Koraalgeschiedenis.

 

Ga naar boven