HomeOnderwerpenOverigPlankton als bron van leven: deel 1. Fytoplankton

Plankton als bron van leven: deel 1. Fytoplankton

Uit www.koraalenzo.com door Dennis

FytoplanktonPlankton is een verzamelnaam voor de kleinst levende organismen in de oceanen. Van eencellige algjes via allerlei microscopisch kleine diertjes zoals euplotes of brachionius tot kwallen, larven van vissen, koralen, slakken, kreeftjes en nog vele anderen. Zelfs de grootste zeedieren (zoals enkele walvissen) kunnen leven op een dieet van plankton. Het is ook niet verwonderlijk dat in zeeaquaria het fenomeen plankton steeds meer de aandacht krijgt die het verdient.

Men loopt bij (gewenst) gebruik van plankton echter tegen twee belangrijke problemen aan.

  1. Het eerste is dat het tot nu toe erg lastig was aan voldoende en zuivere plankton te komen
  2. Het tweede probleem is dat plankton de eigenschap heeft vrij snel afgeschuimd te worden, hierdoor is zeer regelmatige toediening noodzakelijk om positief effect te hebben op dieren, welke plankton nodig hebben om te overleven.

Voordeel is wel dat doordat plankton levend voer is, het de bak niet of nauwelijks belast zolang het in de bak aanwezig is en door de afschuimer efficiënt verwijderd wordt voor het afsterft.

Wat is plankton?

Om te beginnen moeten we plankton verdelen in twee groepen. De eerste groep is het plantaardig plankton, ook wel "phytoplankton" of "fytoplankton" genoemd. De tweede groep is het dierlijk plankton ofwel "zooplankton". Deze tweede groep voedt zich met de eerste, dan wel met ander zooplankton dat fytoplankton op het menu heeft staan. Deze tweede groep wordt in deel 2 van dit artikel besproken.

Phyto- of fytoplankton

Het fytoplankton (ook wel microalgen genoemd) komt in de oceanen in grote hoeveelheden voor, zo tussen de 100.000 en 100 miljoen plantjes (algjes) per liter zeewater.

Al het leven in de oceanen voedt zich -direct of indirect- met deze plantjes. Als enige zeebewoners zijn zij in staat met behulp van zonlicht als energiebron organische stoffen te maken. Organische stoffen zijn allerlei verbindingen waarmee ze zichzelf kunnen opbouwen, net als landplanten dat doen.

Omdat het fytoplankton veel kleiner is dan de meeste landplanten, groeit het veel sneller en produceert per jaar een veelvoud zijn lichaamsgewicht aan bouwstoffen. Bij dit proces, dat fotosynthese heet, komt zuurstof vrij, dat in het water en in de lucht terecht komt. Al het andere leven in zee kan dat niet en is volledig van het fytoplankton afhankelijk, als bron van voedsel en zuurstof. Het fytoplankton is niet het enige plantaardige leven in de oceanen. Naast ééncellige algen komen er vooral langs de kusten allerlei soorten wieren voor. Omdat er veel minder grote wieren (de zogenaamde macroalgen) zijn dan het fytoplankton, spelen deze een ondergeschikte rol in de voedselketen in zee. Ze worden door sommige dieren in de getijdenzone wel gegeten. De meeste planktonplantjes zijn alleen met een microscoop te zien.

Ze hebben vaak prachtige vormen, van rond tot langwerpig, soms met fraaie uitsteeksels. In de cellen is het groen en bruin van de bladgroenkorrels te zien. De meeste bestaan uit één cel, maar er komen ook kolonies van meerdere cellen voor.

Twee groepen

Als je wat nauwkeuriger kijkt, dan is het fytoplankton in twee groepen te onderscheiden: cellen mét en cellen zonder zweephaartjes. Een zweephaar of flagel is een soort draadje dat gebruikt wordt bij de voortbeweging. De algjes zonder zweephaartjes behoren tot de diatomeeën of kiezelwieren, die mét noemt men de 'flagellaten'. Fytoplankton is voor de groei afhankelijk van licht en voedingsstoffen als stikstof, fosfor en kiezelzuur. De hoeveelheid licht en voedingsstoffen kunnen in de loop van het jaar nogal verschillen.

In de winter is er te weinig licht om het fytoplankton te laten groeien. Er zijn volop voedingsstoffen in het zeewater aanwezig, maar die worden niet gebruikt. In de winter is er dan ook weinig fytoplankton. Toename van zonlicht is de belangrijkste factor die de toename van fytoplankton in het voorjaar bepaalt. Eerst beginnen de diatomeeën zich te vermenigvuldigen. Deze soorten hebben betrekkelijk weinig licht nodig en groeien al goed bij lage temperaturen.

Die groei kan snel gaan, met wel elke dag één deling. Daarbij wordt de in het zeewater opgeloste nitraat, fosfaat en kiezelzuur verbruikt. Het kiezelzuur wordt gebruikt voor de vorming van de kiezelschaaltjes, het nitraat en fosfaat voor de vorming van bouwstoffen (organische stoffen zoals koolhydraten, eiwitten en vetten). Als na enige tijd het kiezelzuur in het water op raakt, houdt de productie op en sterven de diatomeeën langzaam af. Intussen is de instraling van het licht en de temperatuur in de bovenste waterlaag toegenomen.

Andere algensoorten, die geen kiezel nodig hebben, met name de flagellaten, krijgen nu een kans. In de zomer, als de hoeveelheid nitraat en fosfaat door deze soorten is uitgeput, houdt de groei op. De algen die niet zijn opgegeten door aanwezige dieren sterven af en zakken naar de zeebodem. Daar worden ze opgenomen door bodemdieren of afgebroken door bacteriën.

Bij de afbraak van algen komen de eerder genoemde voedingsstoffen weer vrij, en zijn zo opnieuw beschikbaar voor het fytoplankton.

Grote verscheidenheid

In de wereldzeeën leven enorme verscheidenheden aan planten en dieren. Al dit zeeleven kan niet leven zonder koolhydraten, eiwitten en vetten. Dieren kunnen deze bouwstoffen niet zelf maken, planten wel. Alle dieren in zee zijn dus voor hun grondstoffen van het fytoplankton afhankelijk. Zij komen direct of indirect aan hun bouwstoffen door zich met algen of algeneters te voeden.

Een deel van het zoöplankton voedt zich met fytoplankton. De rest van het zoöplankton, bodemdieren en vissen eten op hun beurt het zoöplankton, en komen zo indirect aan hun bouwstoffen, terwijl zij op hun beurt worden gegeten door grotere vissen, zeevogels en zeezoogdieren.

Voedselketen of -web?

Zo'n reeks van eten en gegeten worden noemt men een voedselketen. De werkelijkheid is ingewikkelder. Veel zoöplanktonsoorten eten niet algen maar elkaar. Sommige kwallen eten zelfs vissen. En sommige walvissen eten plankton. Het is geen rechte keten, maar een voedselweb. Voor het fytoplankton is het belangrijk om in de bovenste waterlaag te blijven zweven en niet naar de bodem weg te zakken. "Boven blijven" is een levensvoorwaarde.

Drijfvermogen

Zonder zonlicht gaan ze dood. De planktonplantjes zijn dan ook niet voor niets klein en licht. Hoe kleiner je bent, des te groter is het oppervlak in verhouding tot het gewicht. En hoe groter je oppervlak naar verhouding is, hoe langzamer je zinkt. Bij diatomeeën wordt het drijfvermogen vergroot door allerlei uitsteeksels in de vorm van haren en stekels. Sommige soorten hebben een oliedruppeltje in hun huisje om hun zweefvermogen te vergroten. Verder dienen de ingewikkelde patronen van groefjes, putjes en perforaties op de huisjes ook om het oppervlak en daarmee het drijfvermogen te vergroten. Tot slot heeft een platte cel een groter draagvlak dan een bolle cel.

Ook flagellaten hebben dergelijke aanpassingen. Zo heeft het lichaam van het planktonplantje Pyrocystis elegans een pantser met grote uitsteeksels, die het drijfvermogen vergroten.

Voedselconcurentie

Het fytoplankton reageert sterk op wisselende concentraties van voedingsstoffen. Als er veel te veel voedingsstoffen in het water terecht komen, spreekt men van eutrofiëring, en treedt een algenbloei op. In sommige gevallen betreft dit algensoorten die giftige stoffen produceren. Het fytoplankton beconcurreert elkaar als voedselconcurrenten, hierdoor is het mogelijk dat binnen de groep fytoplankton een soortverschuiving optreed, wat zijn weerslag heeft op de soortensamenstelling binnen het zoöplankton.

De diatomeeën nemen af, terwijl de flagellaten toenemen. Als oorzaak wordt de toename van voedingsstoffen in het zeewater gezien. De groei van de diatomeeën wordt beperkt door de hoeveelheid kiezelzuur in zee. Flagellaten hebben dat niet en leven vooral van fosfaat en stikstof waardoor zij kunnen blijven toenemen in aantal. Deze verschuiving heeft zijn uitwerking op het zoöplankton, de volgende schakel in de voedselketen. Het ene planktondiertje voedt zich met diatomeeën, anderen hebben een voorkeur voor flagellaten. De laatsten zullen in aantal toenemen door vergroting van het voedselaanbod. Deze verandering in soortensamenstelling binnen het zoöplankton beïnvloedt op zijn beurt de volgende schakels in de voedselketen, waaronder vissen.

Zie ook: deel 2, Zooplankton
Ga naar boven