HomeOnderwerpenOverigPlankton als bron van leven: deel 2. Zooplankton

Plankton als bron van leven: deel 2. Zooplankton

Uit www.koraalenzo.com door Dennis

Wat is plankton?

ZooplanktonWe kunnen plankton in twee groepen verdelen. De eerste groep is het plantaardig plankton, ook wel "phytoplankton" of "fytoplankton" genoemd. Deze groep wordt in deel 1 van dit artikel besproken. De tweede groep is het dierlijk plankton ofwel "zoöplankton". Deze tweede groep voedt zich met de eerste, dan wel met ander zoöplanktondat fytoplankton op het menu heeft staan.

Zoöplankton

Tot het dierlijk plankton, dat ook wel zoöplankton wordt genoemd, behoren microscopisch kleine ééncelligen, maar ook veel grotere dieren zoals kwallen. Ook de larven van vissen en andere grotere zeedieren behoren vaak tot het dierlijk plankton. De meeste planktondiertjes kunnen zich wel verplaatsen, maar zijn niet sterk genoeg om tegen de stroom in vooruit te komen.

Driekwart van de totale planktonbiomassa in de zee bestaat uit roeipootkreeftjes (copepoden). Planktondieren zijn er in vele soorten en maten. De kleinste diertjes bestaan uit één cel. Men kan ze met het blote oog niet zien, maar onder de microscoop zijn hun prachtige vormen te bewonderen.

Grote diversiteit

De ééncellige trilhaar- of wimperdiertjes (ciliaten) vormen binnen het dierlijk plankton in de kustwateren de talrijkste groep. Maar niet al het zoöplankton is zo klein. Roeipootkreeftjes en larven van vissen en bodemdieren kunnen een paar millimeters groot worden. Krill bestaat uit garnaalachtige diertjes van ongeveer drie centimeter lang. In de oceanen vormen zij het belangrijkste voedsel voor veel walvissen.

Drijfvermogen

Kwallen worden nog veel groter: sommige soorten kunnen een diameter van meer dan één meter bereiken. Toch behoren zij ook tot het plankton. Net als het plantaardig plankton, bezitten ook een aantal planktondiertjes uitsteeksels. Deze vergroten het drijfvermogen van het dier. Vooral ééncellige planktondiertjes hebben vaak deze aanpassing. Een aantal ééncellige soorten gebruiken ook een oliedruppeltje als drijforgaan. Vislarven hebben een dooierzak, wat hun drijfvermogen aanzienlijk vergroot. Roeipootkreeftjes gebruiken hun lange antennes om te blijven zweven. Zij kunnen zich ook in verticale richting voortbewegen: soms wel met een snelheid van 60 meter per uur. Het krill kan zelfs een afstand van 100 tot 400 meter in één uur afleggen. Het zoöplankton beweegt zich nauwelijks ten opzichte van de zeestromingen.

Op en neer

Wel reist het in verticale richting: overdag verblijven de grotere planktondieren in diep water, 's nachts komen ze naar boven om van de algen te eten die zich daar ophouden. Men denkt dat het zoöplankton het daglicht uit de weg gaat om zichzelf niet aan roofvijanden te verraden. De op- en neergaande laag van planktondieren wordt door schepen met sonar-apparatuur duidelijk waargenomen. In de Tweede Wereldoorlog werd dit door oorlogsschepen en duikboten voor het eerst ontdekt. De dagelijkse op- en neergaande beweging deed de waarnemers toen voor raadsels staan.

Voedsel

Van het zoöplankton voeden met name de roeipootkreeftjes zich met plantaardig plankton. Met behulp van een fijnmazig net van borstelharen op hun monddelen filteren ze hun voedsel uit het water. Daarbij zijn ze in staat onderscheid te maken tussen de verschillende soorten fytoplankton: ze tonen een duidelijke voorkeur voor diatomeeën. De meeste andere soorten zoöplankton voeden zich op hun beurt met roeipootkreeftjes. Roeipootkreeftjes zijn dan ook de belangrijkste schakel tussen het plantaardig plankton en het overige dierlijk leven in zee.

Tijdelijk plankton

Tot het zoöplankton behoren niet alleen dieren die hun gehele leven in het water rondzweven. Er zijn veel dieren in zee die alleen hun jeugd als plankton doorbrengen. Bij het volwassen worden leren ze actief te zwemmen tegen de stroom in, of ze verhuizen naar dieper water of de zeebodem. Het zijn de eieren en larven van vissen, grotere kreeften en krabben, zeesterren, zee-egels, wormen en schelpdieren. Wat opvalt is dat veel planktonische larven de meest fantastische vormen hebben en totaal niet op hun ouders lijken. Veel wormen en schelpdieren hebben in het vroegste larvenstadium dezelfde basisvorm: een soort doperwt, met rond het middel een franje van korte zweepharen en op de kruin een kwastje voelharen.

Zie ook deel 1, Fytoplankton

Ga naar boven